SEGM · SEGM (Society for Evidence-Based Gender Medicine) · 29 september 2026

Amerikaanse studentenenquête: zelfidentificatie als trans of non-binair bereikt recordhoogte — en vlakt deels af

De grootste doorlopende Amerikaanse studentenenquête laat zien dat zelfidentificatie als trans of non-binair een historisch hoogtepunt bereikt, met tekenen van afvlakking bij non-binaire identificatie onder bachelorstudenten. Wat die cijfers, en het gevecht over hun interpretatie, betekenen voor Nederlands beleid dat zelfidentificatie als stabiel gegeven behandelt.

Amerikaanse studentenenquête: zelfidentificatie als trans of non-binair bereikt recordhoogte — en vlakt deels af

Sinds 2000 vraagt de American College Health Association tweemaal per jaar tienduizenden Amerikaanse studenten naar hun gezondheid en welzijn — en sinds enkele jaren ook naar genderidentiteit. De meest recente cijfers, samengevat door de Society for Evidence-Based Gender Medicine (SEGM), laten zien waar zelfidentificatie op basis van eigen verklaring toe leidt zodra ze grootschalig en langdurig wordt gemeten: een cijfer dat blijft stijgen, maar niet gelijkmatig, en dat allerminst het stabiele gegeven is waarop veel beleid — ook Nederlands — stilzwijgend vertrouwt.

Wat de cijfers laten zien

Volgens SEGM's analyse van de National College Health Assessment-cijfers identificeerde in het voorjaar van 2025 tussen de 4,7% en 6,7% van de Amerikaanse bachelorstudenten zich als trans of non-binair — een historisch record. Vrouwelijke studenten doen dat vaker (8,1%) dan mannelijke (4,7%). Opvallend is de trendbreuk binnen die groep: non-binaire zelfidentificatie lijkt bij bachelorstudenten af te vlakken, terwijl identificatie als binair trans (transman of transvrouw) juist blijft doorstijgen. Bij masterstudenten is van een plateau nog geen sprake: daar identificeert 2,7% tot 4,6% zich als trans of non-binair, met cijfers die nog steeds stijgen — vermoedelijk mede omdat oudere cohorten de piek in zelfidentificatie onder jongere leeftijdsgroepen nog moeten inhalen.

Een cijfer waarover ook onderling gevochten wordt

Hoe onzeker dit soort metingen zijn, blijkt uit het feit dat zelfs voorstanders van striktere richtlijnen het onderling oneens zijn. SEGM bekritiseert recente claims van de onderzoekers Eric Kaufmann en Jean Twenge dat zelfidentificatie onder jongeren in "vrije val" zou zijn: die conclusie zou steunen op omstreden vraagformuleringen en een twijfelachtige statistische weging van kleine subgroepen. Met andere woorden: zelfs tussen critici van het huidige beleid bestaat geen overeenstemming over of, en hoe snel, zelfidentificatie nu daalt, stijgt of stabiliseert. Dat maakt harde uitspraken over een trendwending voorbarig — in beide richtingen.

Wat dit betekent voor zelfidentificatie als beleidsgrondslag

Voor Nederlands beleid is dit meer dan een curiositeit uit de Verenigde Staten. Nederlandse regelgeving rond geslachtsregistratie, onderwijs en jeugdzorg gaat er in de praktijk van uit dat genderidentiteit een innerlijk, stabiel gegeven is dat mensen via zelfrapportage kenbaar maken — zie ook de onbewezen kernhypothese die onder vier Nederlandse beleidsstappen ligt. De Amerikaanse cijfers laten iets anders zien: een percentage dat in een paar jaar tijd vervijfvoudigt, vervolgens gedeeltelijk afvlakt in de ene subcategorie terwijl het in een andere blijft doorstijgen, en waarvan zelfs de onderzoeksrichting tussen wetenschappers omstreden is. Dat patroon past beter bij een sociaal en generationeel fenomeen — gevoelig voor cultuur, leeftijdscohort en vraagstelling — dan bij een vaststaand persoonskenmerk dat je eenmalig registreert en dat daarna niet meer wijzigt.

Die spanning is dezelfde die al eerder naar voren kwam toen een meerderheid van de Nederlandse bevolking in een peiling terughoudendheid vroeg rond medische trajecten voor jongeren: ook daar bleek weinig vertrouwen te bestaan dat een genderwens op jonge leeftijd blijvend is. Beleid dat zelfidentificatie zonder nadere toetsing als basis neemt voor registratie, onderwijsbeleid of doorverwijzing, bouwt zo voort op een aanname die de eigen cijfers van voorstanders inmiddels zelf ondermijnen.

Ook elders in Europa een hardnekkige aanname

Diezelfde aanname — dat zelfidentificatie een vast gegeven is dat zonder verdere toetsing juridisch en beleidsmatig gevolgd kan worden — ligt ook onder recente Europese plannen. De EU-strategie 2026-2030 wil zelfidentificatie zelfs zonder leeftijdsgrens invoeren, terwijl de Amerikaanse cijfers laten zien hoe sterk zelfrapportage juist bij jongere leeftijdsgroepen fluctueert. Een cijfer dat per cohort en per jaar zo verschuift, is een wankele basis voor een recht dat in de meeste stelsels bedoeld is als definitief en onomkeerbaar.

Wat de cijfers niet zeggen

De ACHA-cijfers meten zelfrapportage in enquêtes, geen diagnoses en geen duurzaamheid van identiteit over een mensenleven. Ze zeggen niets over hoeveel van deze studenten later weer anders over zichzelf denken, en niets over de kwaliteit van eventuele zorg die op basis van die zelfidentificatie wordt verleend. Wat ze wél laten zien, is dat zelfidentificatie als concept volatiel genoeg is om binnen dezelfde populatie, in dezelfde meetperiode, tegengestelde trends te vertonen — een gegeven dat beleidsmakers niet kunnen negeren zodra zij zelfidentificatie tot uitgangspunt van wetgeving verheffen.

Bronnen

Society for Evidence-Based Gender Medicine (SEGM), "Transgender identification in college youth is at an all-time high but may be reaching a plateau", gepubliceerd 22 oktober 2025, bijgewerkt 2 februari 2026. segm.org. Onderliggende data: American College Health Association, National College Health Assessment (ACHA-NCHA), voorjaarsmeting 2025.

Saskia Weijermars

Saskia Weijermars

Redactie

Veelgestelde vragen